De Werkgroep Bekostiging heeft deze evaluatie geschreven. Deze heeft in de laatste Faktor gestaan.

Tussen december 2016 en maart 2017 hebben de inkopende apothekers van de gezamenlijke academische ziekenhuizen – verenigd in de IZAAZ – centrale prijsafspraken gemaakt met farmaceuten over de verschillende stollingsmiddelen. Per type stollingsmiddel werden in principe twee voorkeursproducten gekozen op grond van een aantal randvoorwaarden en kwaliteitseisen en op grond van de aangeboden prijs. Deze prijsafspraak geldt voor vier jaar. Op basis van die centrale prijsafspraak bepalen de vier deelnemende Hemofiliebehandelcentra (HBC’s) zelf hoeveel ze van de geselecteerde producten inkopen. De NVHP heeft in dit proces als adviserend lid van de Gebruikersgroep meegedaan net als de NVHB (behandelaren) en de NVHV (verpleegkundigen); de beslissingen zijn de verantwoordelijkheid van de IZAAZ en de afzonderlijke HBC’s. Hoe kijken we met de kennis van nu op dit proces terug?

Deelnemende HBC's

Niet alle hemofiliebehandelcentra deden mee. Het betreft het AMC Amsterdam, LUMC/Hagaziekenhuis, Erasmus MC Rotterdam, Van Creveldkliniek UMC Utrecht.

Wat NVHP-leden ervan vinden

Allereerst blijkt uit de resultaten van de enquête, die wij onder de leden hielden, heel veel begrip voor het centraal gaan inkopen en het daardoor moeten overstappen, zolang dat niet te vaak is. Met de contractstermijn van vier jaar, die wij bij de randvoorwaarden inbrachten, zijn we dan ook tevreden.

Besparingen gehaald, waaraan besteed?

De kosten van de stollingsmiddelen zijn drastisch omlaag gegaan. De precieze cijfers zijn geheim maar we kunnen uit verschillende signalen wel afleiden dat de kostenbesparing vele tientallen miljoenen per jaar is geweest. Een substantieel aandeel in de orde van 25% wordt door de verzekeraars geclaimd (het exacte bedrag is niet bekend), maar dan nog blijft er een forse besparing over. Hoe dát uitpakt verschilt per hemofiliebehandelcentrum, of beter gezegd per ziekenhuis. De Raden van Bestuur kijken naar het grote geheel. Het ene HBC heeft zelf meer beschikking over de besparingen dan het ander. Maar het direct doorboeken van de bespaarde gelden aan innovatieve hemofiliezorg is nergens mogelijk.

Ons doel – verbetering van de hemofiliezorg – is daardoor lastig te beoordelen. Onze belangrijkste ambitie is het voorschrijven van langerwerkende producten voor de patiënten die daar baat bij hebben. De NVHP heeft de indruk dat Nederland daarin achterloopt op vergelijkbare landen. De NVHB herkent zich daar niet in. Zij schrijven al wel voor, willen uitvinden hoe de langerwerkende producten het in de praktijk doen, onafhankelijk van de voorschriften van de farmaceuten. De NVHP heeft nu aan de behandelaren om een richtlijn op papier gevraagd: welke patiënten komen in aanmerking? Wij streven naar 100% langerwerkende producten over drie jaar voor de mensen met hemofilie B die dit willen en er baat bij hebben en naar 25% van de hemofilie A-patiënten.

Het centrale inkoopproces was voor de hemofiliebehandelaren aanleiding om Aafact-gebruikers te vragen op het gekozen recombinantproduct over te stappen. De meeste patiënten hebben dat gedaan. Er zijn plasmagebruikers die dat niet wilden en er meer of minder moeite voor hebben moeten doen om het te mogen blijven gebruiken. De NVHB had liever alle patiënten zien overstappen. De NVHP is er steeds van uit gegaan dat de afspraak ‘ernstig bezwaar van de patiënt tegen overstappen’ ook voor plasmagebruikers zou betekenen dat ze niet hoefden over te stappen.

Als direct gevolg van de voordeliger inkoop moest bij veel HBC’s de thuisprikservice anders geregeld  gaan worden. De ervaren en vertrouwde prikkers (bijvoorbeeld van Sanquin of Eurocept) konden niet meer worden ingezet, regionale Thuiszorgorganisaties werden ingeschakeld, maar hadden eerst training nodig. Patiënten hebben dat als ingrijpend en vervelend ervaren, zeker jonge kinderen met prikangst. De Nederlandse Vereniging van Hemofilie Behandelaars heeft aangegeven hiervoor verantwoordelijkheid te nemen en laat nu inventariseren hoe het overal in het land geregeld wordt. De NVHP houdt dit in de gaten.

Transparantie

Ja, de transparantie is toegenomen, voor het eerst zijn inkoop en kosten onderwerp van gesprek tussen NVHP en NVHB/HBC’s. Een patiëntenorganisatie kan een belangrijke toegevoegde waarde leveren en tegelijkertijd is het betekenisvol om een blik achter de schermen te kunnen werpen hoe het ‘inkoopsysteem’ werkt. Maar het antwoord is ook nee; de autonomie van de hemofiliecentra levert ondoorzichtigheid op. En het feit dat de ziekenhuizen over de behaalde besparingen het stilzwijgen doen is wel een bewijs dat men uit zichzelf niet publiekelijk teveel opening van zaken geeft. En er zijn andere leerpunten. Het proces moet beter, de relatie van de NVHP met de individuele hemofiliecentra moet beter, de communicatie moet beter.

Randvoorwaarden beïnvloed?

Ja, de NVHP heeft voor het eerst effectief invloed kunnen uitoefenen op het inkoopproces en dat is zeker ook gewaardeerd. Al snel waren behandelaren en NVHP het in de Gebruikersgroep eens over het belang van kwaliteitseisen. Zaken als veiligheid, toegankelijkheid, leveringsgarantie, doseringen, toedieningsmiddelen etc. zijn als harde randvoorwaarden meegenomen in het selectieproces. In principe is er ook keuzevrijheid gegarandeerd door zo mogelijk van elke type stollingsmiddel twee voorkeursproducten te selecteren. En het IZAAZ heeft gehoor gegeven aan een negatief advies van de NVHP op één product. Ook waren er afspraken over het afstemmen van de individuele hemofiliecentra met de NVHP over het benaderen van de patiënten die zouden moeten overstappen op een ander product. Kortom men was van goede wil.

Maar het antwoord op de betrokkenheid van de NVHP is ook negatief. Hoge tijdsdruk mankeerde het proces. De NVHP zat altijd op de tweede hand. Ook de NVHB heeft inmiddels geconstateerd dat wij als patiëntenorganisatie een volgende keer rechtstreeks de IZAAZ moeten kunnen adviseren, niet alleen via de NVHB.

Het inkoopproces heeft verschillen tussen behandelcentra, die er al waren, aangescherpt. Afspraken die de NVHP met de NVHB maakt, pakken in de praktijk bij sommige centra soms stroef uit.. Zo gingen bijvoorbeeld niet alle behandelaren even gemakkelijk mee in de afspraak met de NVHB dat ‘bij ernstig bezwaar een patiënt niet over hoeft te stappen’. Denk aan patiënten met angst voor remmers. Ook de communicatie met de hemofiliecentra verliep moeizaam evenals het inzichtelijk krijgen welke producten nu precies wanneer aan wie worden aangeboden.

Er waren drie redenen om deel te nemen:

  1. De hoge kosten van stollingsmiddelen zijn op lange termijn een bedreiging voor de continuïteit en kwaliteit van de zorg. Kostenbesparing om ruimte te creëren voor betere zorg was ons motto;
  2. Vanuit patiëntenperspectief invloed uitoefenen op de inkoop; tot dusver ging de inkoop van stollingsmiddelen door de individuele behandelcentra altijd volledig buiten de patiënt en de patiëntenorganisaties om;
  3. Meer transparantie van het inkoopproces en voorkomen dat er een lappendeken van regelingen per ziekenhuis en per verzekeraar zou ontstaan.

Zijn die doelen bereikt? Een diplomatiek antwoord is onvermijdelijk: ja en nee


Inloggen voor leden