Genetisch onderzoek bij zeldzame stollingsstoornissen in Nederland Door arts-onderzoeker Sterre Willems en hoofdonderzoeker RBiN-studie en internist-hematoloog Saskia Schols in het Radboudumc Met de resultaten willen we beter begrijpen wanneer deze patiënten het grootste risico lopen op bloedingen om zo bij te dragen aan een betere behandeling. Een groot deel van de patiënten uit de RBiN-studie heeft ook toestemming gegeven voor het doen van genetisch onderzoek. Genetisch onderzoek Bij 202 patiënten die deelnamen aan de RBiN-studie werden stollingseiwitten gemeten. Een onderzoeker stelde tijdens het studiebezoek de ernst van de stollingsstoornis vast aan de hand van gestandaardiseerde vragen en patiënten werd gevraagd om een uitgebreide vragenlijst in te vullen. Bij 156 deelnemers werd genetisch onderzoek verricht. Bij 85% van de patiënten werd een genetische afwijking in een gen gevonden die precies paste bij de stollingsstoornis van de betreffende patiënt. Opvallend genoeg vonden wij in bijna een kwart (24%) van de gevallen, naast de eerdergenoemde afwijking, ook nog een afwijking in een ander gen dat een mogelijke andere rol speelt in de stolling. Omdat deze afwijkingen zich bevonden in verschillende soorten genen, weten we niet of, en zo ja, welke rol dit speelt in het optreden van bloedingen. Zeldzame stollingsstoornissen en erfelijkheid Een zeldzame stollingsstoornis in onze studie houdt in dat er sprake is van een te snelle afbraak van fibrine (hyperfibrinolyse), of dat er een tekort is aan een (of meerdere) functionele stollingseiwitten. Deze stollingseiwitten zijn: fibrinogeen, stollingsfactor (F) II, FV & FVIII, FVII, FX, FXI, FXIII, plasminogeenactivator inhibitor type 1 (PAI-1) of α2-antiplasmine (A2AP). Meestal wordt gedacht dat deze erfelijke zeldzame stollingsstoornissen op een recessieve manier overerven. Dat betekent dat iemand twee genetische afwijkingen in het gen moet hebben. Je hebt dan van zowel je biologische moeder als vader een gen gekregen. Dit noemen we homozygoot (tweemaal precies dezelfde genetische variant) of compound heterozygoot (twee verschillende genetische varianten). Als een patiënt maar één genetische afwijking in een gen heeft (heterozygoot), dan wordt hij/zij gezien als drager. Soms erft een stollingsstoornis dominant over, dan is een enkele genetische variant voldoende om een ziekte te veroorzaken. Over het algemeen werd tot nu toe aangenomen dat dragers geen klachten hebben, of alleen milde bloedingsverschijnselen. Recent is er echter steeds meer aandacht voor het optreden van bloedingen bij dragers. Faktor 22 Ervaringen delen De Rare Bleeding Disorders in the Netherlands (RBiN) studie is een landelijke studie, waarin patiënten met een zeldzame bloedingsstoornis en uit alle Nederlandse hemofiliebehandelcentra aan mee kunnen doen. Het doel van de studie, die liep van 2017 tot 2019, is het in kaart brengen van de bloedingsneiging van patiënten met een zeldzame stollingsstoornis. Medische zaken Bij bijna een kwart van de deelnemers vonden we ook een afwijking in nog een ander gen dat mogelijk een andere rol speelt in de stolling.
RkJQdWJsaXNoZXIy NzkyMjk=