Bloeden na ingrepen We hebben ook gekeken naar het bloeden na ingrepen. In totaal was er data beschikbaar van 233 ingrepen die hebben plaatsgevonden bij 96 patiënten. We vonden dat patiënten uit groep één ongeveer net zo vaak een nabloeding hadden na chirurgie (31%) als groep 2 (37%). Wel is het zo dat patiënten uit groep één vaker een behandeling hadden gekregen met stolling bevorderende medicatie om een bloeding te voorkomen, namelijk in 59% van de gevallen tegen 29% in groep twee. Dit is weergegeven in figuur 3. Waarschijnlijk is dit omdat patiënten uit groep één doorgaans een ernstige stollingsstoornis hebben. Patiënt met een milde factordeficiëntie Patiënten die drager zijn van een stollingsstoornis gerelateerde genetische variant hebben dus vaak spontane bloedingen. Daarnaast treedt er relatief vaak een bloeding op na een ingreep in deze groep. Eerdere resultaten uit de RBiN-studie hebben laten zien dat bij zeldzame stollingsstoornissen de hoogte van het stollingseiwit in het bloed niet betrouwbaar kan voorspellen of er een bloeding optreedt. Op basis van deze resultaten willen wij ervoor pleiten om patiënten die een (waarschijnlijk) ziekte veroorzakende genetische variant dragen in een gen van een zeldzame stollingsstoornis, te beschouwen als patiënten met een milde stollingsfactor deficiëntie en hier rekening mee te houden in de behandeling. < Figuur 3: Patiënten uit groep één kregen vaker stolling bevorderende medicatie voor de ingreep dan patiënten uit groep 2. Patiënten uit groep één en twee hadden ongeveer even vaak een bloeding na een ingreep, de kans hierop is kleiner als er vooraf stolling bevorderende medicatie werd gegeven. Faktor 24 Ervaringen delen Medische zaken Patiënten die drager zijn van een stollingsstoornis gerelateerde genetische variant hebben vaak spontane bloedingen.
RkJQdWJsaXNoZXIy NzkyMjk=